Ken je het verhaal van Passiepaard?

Lang geleden, ergens in een land ten noorden van hier, leefde eens een paardenvolk. De paarden waren verbonden door hun afkomst, hun gezamenlijke geschiedenis. Elk veulen dat geboren werd had de hoefjes voor het eerst in dezelfde klei gezet, haar eerste grassprietje van dezelfde bodem gegeten als haar voorvaderen.

Op een dag wierp een bijzondere merrie haar zesde veulen, een dartel merriemeisje. Ze zette haar hoefjes voor het eerst in dezelfde klei en at haar eerste grassprietje van dezelfde bodem als al die andere veulens die haar waren voorgegaan. Maar dit veulen was toch wel heel speciaal. Alles wat ze ondernam in het avontuur dat Leven heet, deed ze met zo’n intensiteit en vreugde dat ze al snel haar naam kreeg: Passiepaard.
Passiepaard groeide op en tot verbazing van de kudde veranderde ze regelmatig van kleur. Normaal gebeurde dat hooguit een keer in een paardenleven van deze kudde. Bij de geboorte waren ze soms zwart en als ze opgroeiden werden ze echte schimmels. De meeste paarden hielden de kleur waarmee ze geboren waren, bruin of zwart bijvoorbeeld. Passiepaard werd wit geboren. De kleur van de onschuld en van het licht. De andere veulens vonden dat zo mooi dat ze zich gingen schrobben in de rivier om net zo wit te worden als Passiepaard. Een enkeling werd wat lichter misschien, maar geen van hen was zo stralend wit als Passiepaard. Na verloop van tijd echter verkleurde Passiepaard, ze werd goudgeel, stralend als de zon. Ze vroeg aan de paarden: hebben jullie wel gezien dat elk grassprietje een andere kleur groen heeft?
De anderen gaven het op om te willen zijn als Passiepaard. “Gelukkig maar zei Passiepaard. Iedereen is gewoon zichzelf en je bent mooi genoeg zoals je bent. Ik verkleur misschien af en toe, maar het belangrijkste is dat wij bij elkaar horen, wij zijn een kudde. Ieder heeft zijn of haar taak en dat is genoeg.”

De mensen daar in het Noorden hadden ontdekt dat paarden heel veelzijdig en gewillig kunnen zijn. Wat ze ook ontdekten is dat de paarden alleen dienstbaar waren als ze met respect werden behandeld. Zo kwam het dat de mensen paarden in dienst namen. Sommige paarden werden aangenomen als trekpaard: voor grote wagens hooi of voor een ploeg. Anderen werden gebruikt als tuigpaard en maakten mooie sier met hun schitterende passen voor een sjeesje, als de mensen een ritje wilden maken of voor een prachtige rijtuig bij een huwelijk. Zo had je springpaarden en dressuurpaarden, paradepaardjes, noem maar op.
Passiepaard werd ook aangenomen door de mensen. Inmiddels was ze prachtig roodbruin van kleur geworden en de mensen bewonderden haar om haar kleurige schoonheid. Maar evengoed om haar vreugde en intensiteit, haar bereidwilligheid om door het vuur te gaan voor de mensen, als dat nodig was. Haar veelzijdigheid kwam de mensen goed van pas. Zo werd ze ingezet voor de kar van de boeren, maar mocht ze ook in sierlijk dek en rinkelende belletjes het rijtuig van de minister op een ander spoor brengen.
Zo lang ze goed voer kreeg, af toe een wortel, een biet, wat haver misschien, was Passiepaard tevreden. Als ze vaak genoeg van haar vrijheid kon genieten, alleen of samen met de kudde, als ze in de uitgestrekte weides haar bokkensprongen kon maken, was alles okay voor Passiepaard. Maar extra blij werd ze van de klopjes op haar schouders van de mensenkinderen, de beloning als ze weer iets goeds had gedaan. Of als ze zomaar een klopje of een extra wortel kreeg: gewoon omdat ze Passiepaard was.

Op een dag gebeurde er iets. De leidende merrie werd ziek. Ze kon haar taak om de hele kudde de weg te wijzen naar grazige weiden en waterbronnen niet meer volbrengen. Passiepaard was verdrietig. De moedermerrie was nodig voor het voortbestaan van de kudde. Passiepaard hinnikte naar de leidende hengst: “doe iets anders sterft onze moedermerrie!!” De leidende hengst hinnikte terug: “mijn taak is om de kudde bij elkaar te houden en de goede kant op te drijven achter de merrie aan. Ik moet zorgen dat mijn zaad bij de juiste merries komt en ik heb genoeg te doen om mijn rivalen te bevechten. Ik kan niets meer doen dan dat.”
Zo moest Passiepaard toezien dat moedermerrie haar laatste adem uitblies.
Passiepaard was verward: er moest toch iets gebeuren, wie leidde dan de kudde naar de bronnen, naar de grazige weiden? Ze hinnikte naar een oudere merrie: “kun jij nu onze leider zijn?” Die schudde meewarig haar manen:” nee daarvoor ben ik niet in de wei gelegd.” Zo liep Passiepaard een aantal geschikte merries langs. Maar geen van allen wilde de leidende merrie zijn.

Op een van die dagen dat Passiepaard vol energie bezig was met een van haar taken, kwam de grote stalknecht naar haar toe. Hij zei: “heb je gezien dat de weides bruin zijn geworden? De kruiden groeien niet meer in de wei. De bronnen drogen op”. Passiepaard knikte, ze had het gezien. Maar ze dacht: “verderop in de bergen, meer naar het Zuiden is wellicht meer gras. Maar als er geen leidende merrie is, wie brengt ons daar dan naar toe?”
Ze trok haar kar met iets minder plezier dan daarvoor, het hooi op haar wagen begon te kriebelen, maar ze trok door. Er moest toch ergens een uitweg zijn?

Na een tijdje kwam de grote stalknecht weer bij Passiepaard en zei: “Passiepaard ik kan je niet meer voeden, de weides zijn te bruin en de bronnen zijn opgedroogd. Je kunt niet meer bij de kudde blijven, je moet gaan. En met jou zal een aantal anderen van de kudde ook een andere plek moeten gaan zoeken. We kunnen nu alleen nog trekpaarden en paradepaarden in de kudde gebruiken. Passiepaard had dit al aangevoeld en schudde rustig met haar manen.

Maar toen ze alleen op stal stond smaakte haar extra wortel niet meer zo. Verdrietig snoof ze door haar neus. Zo rook ze van alles door elkaar: de geur van de kudde die ze zou missen, het rollebollen in de wei, die speciale wortels die ze alleen bij deze mensen had gegeten. En ze rook ook een snufje vrijheid, een vrijheid van een andere soort, een ruimte die ze nog niet kende, een avontuur dat haar te wachten stond misschien.

En zijn we niet allemaal zoals Passiepaard: een beetje treurig omdat de kudde wordt uitgedund?
En nieuwsgierig naar welke grassprietjes we zullen gaan eten, op welke grond we onze hoefjes zullen gaan zetten?

Geplaatst in verhalen